Journal
Here you will find my travel stories.
Hier vind je mijn reisverhalen.
Corsica 2008
Norway 2007
Een lang gekoesterde wens gaat hier in vervulling. Al jaren geleden, toen ik “gewoon” kampeerde in Noorwegen wist ik het: dit moet ik beslist nog eens overdoen, maar dan op de fiets. Jaren van uitstel, vliegreizen en fietsreizen door andere Europese landen volgden. Het Noorwegen-virus had echter al toegeslagen. Waar anderen jaar in jaar uit massaal naar Zuid-Frankrijk en de Spaanse costa’s vertrokken, kozen wij tot drie keer toe voor de weg naar het noorden. Daar, waar je tijdens een donkere zomernacht zonder leeslamp je boek uitleest, en niemand geïnteresseerd is in het feit dat je vergat je fiets op slot te zetten.
Net op tijd regelde ik dit jaar tickets voor bus en boot naar Zuid-Noorwegen. En net op tijd knoopte ik mijn fietstassen dicht met het ambivalente vakantiegevoel: beslist weer iets vergeten, maar wat hier vergeten wordt, vindt je in het land van bestemming terug.
De trein in, naar Utrecht, waar de fietsbus lang op zich laat wachten. Op het moment dat zelfs míjn geduld op is en ik het informatienummer bel komt de bus om de hoek zetten. Als één van de weinigen die ongeorganiseerd danwel zelf georganiseerd reizen valt het me op dat menigeen de grootste moeite heeft om het thuis opgebouwde luxeleventje op te geven, en maar wat graag hun zware reiskoffers meezeulen. De fiets als tijdelijke pakezel, dat wel. Want aan de overkant van de zee pikt het busje van de reisorganisatie hun spulletjes weer op.
In sneltreinvaart gaat het vervolgens door Nederland, Duitsland en Denemarken. Door alle vertraging wordt het krap om de boot te halen, dus wordt er ’s ochtends een pitstop minder gehouden in Denemarken, en zijn we alsnog ruim op tijd voor de boot. Op het Skagerrak en de Noordzee stormt het behoorlijk. Rondhangen op het zonnedek dus om niet misselijk te worden. De vooruitzichten zijn ook niet al te best. Op de ferry besluit ik daarom landinwaarts door het Setesdal te fietsen, de route linksaf langs de Noordzee belooft voor de komende dagen te veel regenbuien en storm. Misschien dan later in het Setesdal weer linksaf.

Wat is dat toch, met het vinden van de weg in grotere steden? De onbekendheid, de veelheid aan wegen en verkeersdrukte maken dat je als fietsende vreemdeling bijna altijd de verkeerde weg kiest. Of ligt het aan de inktvlek van drukte die zo’n grote stad op de wegenkaart achterlaat, waardoor het esssentiële detail voor de juiste afslag ontbreekt? Een stad kost al gauw tien kilometer meer dan je lief is na een roerige bootreis. Tien kilometer voor het gevoel doordringt dat je je in de goede richting aan de stad onttrokken hebt.
Onderweg haal ik langs fietsroute nummer drie een vlaams stel fietsers in die tegelijkertijd vanaf de boot vertrokken.
Ondanks dat het Setesdal qua fietsen redelijk eenvoudig/licht genoemd wordt, is de eerste tocht al behoorlijk pittig. Ligt dat aan het tekort aan training, de støre (hoge) bergen, of een combinatie hiervan? Van de plannen om veel te gaan trainen in de maand voorafgaand aan de reis was weinig terechtgekomen. Nu maar hopen dat het waar is dat spieren geheugen hebben, en de prestaties snel weer op peil zijn.
Tik-tik-tak-klatsch... ondanks alle pogingen van de eigen fietsenmaker slaat de ketting zo af en toe nog steeds over, en blokkeert snel daarna. Een soort vooruittraprem, want door even terug te trappen wordt de blokkade weer opgeheven. Een nagenoeg versleten tandwiel op de crank is de diagnose. Maar tijd om die te vervangen is er voor de vakantie natuurlijk net niet. Daarnaast ben ik ook te moe van trein, bus, boot en kleine grote stad Kristiansand om af te stappen voordat een slaapplaats in zicht is. "Tijd voor een fietsreparatiecursus" denk ik bij mezelf, want ik heb alle gereedschappen bij me in mijn supercompacte zeventiendelige fietsreparatiesetje, zelfs een kettingpons, maar heb geen idee hoe ik dat ding moet gebruiken. Morgen dus maar een fietsenmaker opzoeken. In Kilefjorden strijk ik neer, zet mijn tent op, kijk rond, en herken de witte boogbrug over het kleine fjord. Toen, dertien jaar geleden, nog zo weinig van de wereld gezien, was ik benieuwd wat er aan de andere kant van die witte boogbrug tussen het groen te zien zou zijn. Nu, dertien jaar later weet ik het eindelijk: het begin van een ontdekkingstocht.


Zo aan het begin van een fietsvakantie heb je simpelweg teveel bij je, en is alles nog zeker niet efficiënt ingepakt. De fietsende dame prikte bij de boot al feilloos in de loze ruimte in mijn fietstas. “Gelukkig heb ik nog drie weken om het efficienter in te pakken” beantwoordde ik haar nonverbale vingerwijzing. “Wij hebben alles kleding opgerold en in plastic zakken ingepakt, dat is compacter” antwoordde ze. “Gelezen in de Wereldfietser. Handig!” Deze ochtend neem ik tussen de kleine-maar-o-zo-venijnige-muggesteken door de tijd om mijn tassen anders in te delen. Geen plastic zakjes en opgerolde kleding, dat niet. Maar wel weer opnieuw uitvinden hoe je de loze ruimte zo klein mogelijk maakt. Mobieltje en schone sokken in de halflege fototas, je moet er maar opkomen. Die ruimteverslindende bergschoenen hadden echt thuis mogen blijven. En die drie soorten broodbeleg, waar is dat eigenlijk voor nodig?
Na wat gepuzzel met de tassen rijd ik tegen elven in de ochtend pas weg. Gelukkig valt er deze gehele vakantie niets te bewijzen. Op zoek naar een fietsenmaker in Evje. Het geniale duitse fietsrouteboekje, dat elke nederlandse en duitse fietser onderweg bij zich heeft, beschrijft feilloos waar in Noorwegen een fietsenmaker zit. Gratis knipt de fietsenmaker in Evje de ketting een paar schakeltjes korter, zodat deze iets strakker om de tandwielen staat.
Nooit eerder reed ik zo rustig langs een rijksweg als hier in het Setesdal in Noorwegen. De fietsreparatie lijkt eventjes te werken. Rustige fjorden, rustige wegen, totdat...
Totdat in een onverlichte tunnel de ketting tijdens het schakelen weer enorm begon te tikken, over te slaan en te blokkeren. Met een verdubbelde hartslag, waarbij zowel het kloppen van het hart als het tikken van de ketting in de duisternis van de tunnel lijkt te weerkaatsen, met nog een klein beetje grip op de overbrenging van de fiets, trap ik met al mijn kracht om zo snel mogelijk uit de tunnel weg te komen.
Zoals ik zei, rustige fjorden, rustige wegen. Er is geen ander verkeer. Alleen vierhonderd meter angstig trappen in de duisternis.
Het vinden van een camping kan aan het eind van de dag best moeilijk zijn, met het regenachtige weer neemt de behoefte aan een warme douche exponentieel toe en is wildkamperen geen optie. Ruim honderdtien horizontale kilometers op de teller, de laatste kilometer verticaal naar een camping met een drassig grasveld. Snel de tent opzetten, in jumpstyle over de paar drogere graszoden naar het toiletgebouw - gelukkig, operatie droge voeten is geslaagd. Dat denk ik tenminste, want prompt gaat de rits van de buitentent kapot. Met wasknijpers verzegel ik van binnen mijn tent. Niets dat mij deze avond nog uit de tent kan lokken...
Excuse me, sir? We zagen u bezig, en hebben nog een Indiase Curry over. Nog niet gekookt zeker? Okee, bijna niets dat me uit de tent kan lokken. Want Beierse gastvrijheid met een Indiase Curry sla je niet af, het alternatief is immers brood met noedelsoep. De hut wordt opgeleukt met klassieke beierse muziek en eigen muurdecoratie - elk mogelijk haakje aan de muur wordt gebruikt om de drijfnatte kleding droog te krijgen, de verwarming snort voluit. Alex en Ulli vertellen van hun vijf uur durende bergwandeling naar Kjerag, terwijl ik de laatste curry uit de pan schep. In twee dagen zijn ze met de auto van Kristiansand naar zowel Preikestolen als naar Kjerag geweest. Er is een soort van wederzijds ontzag, ik wordt een "tough guy" genoemd met mijn honderdtwintig kilometer deze dag op de fiets. Noorwegen kennende heb ik toch ook wel respect voor de grote afstand die ze met de auto in zo weinig tijd hebben afgelegd, en het feit dat zíj Kjerag al wel hebben beklommen. Deze avond zet ik het uit mijn hoofd om terug te fietsen naar de Suleskarveien, de route richting Kjerag. Die steile klim naar duizend meter, daar ben ik nog niet aan toe. Nóg niet. Morgen gewoon door het dal verder naar het noorden, en dan zie je vanzelf wel waar je terechtkomt.








Een koude dag volgt, met het laatste restje regen dat nog over blijkt te zijn van de dag ervoor. Veel bewolking, maar de weg is nog zichtbaar. Onderweg rijd ik langs een trap over steile rotsen, die vroeger voor de tijd van asfalt en met dynamiet uitgehouwen tunneltjes gebruikt werd door het vrachtverkeer te paard. Even waan ik me in de Tour de France, klimmend en fysiek uitgeput, wanneer een auto inhoudt en me door de bijrijder een 5 liter jerrycan mineraalwater wordt voorgehouden, terwijl hij me onverstaanbaar maar beslist motiverend toeroept.
De tent wordt opgezet bij een Fjellstue in Hovden-Fjell, op een koude hoogvlakte. Herkent u ons niet meer? Klinkt het achter me in een Vlaams accent. Blijken het Michel en Vera te zijn, de Vlamingen die ik eerder ben tegengekomen. Nee, de fietsen kwamen me nog niet bekend voor. Een grappig déjà vu. Met veel moeite plaatste ik een ritssluiting van de binnentent op de buitentent, zodat de regen nog een paar weken buiten blijft (nog drie weken de tent met knijpers afsluiten is tenslotte ook niet ideaal). De reparatie is er deze avond overigens meer op gericht om de warmte binnen te houden dan de regen buiten te houden.







Noorwegen zou wel eens een land van extremen kunnen zijn. Zo koud als het gisteren was, zo warm en zonnig is het vandaag. Fietsen is deze dag flink zwoegen bij zomerse temperaturen. Extreme afdalingen, met vijfenzestig kilometer per uur met volle bepakking bij Haukeli naar beneden roetsjen. Vervolgens met zesenhalve kilometer per uur weer omhoog. Zonnebaden op een immense stuwdam, die ook prima fungeert als tafel om de kaart van West-Noorwegen eens helemaal uit te vouwen.
De beginnerscursus Noors begint haar vruchten af te werpen. Niet langer sta ik met de mond vol tanden als een kind langs de kant van de weg wat roept, maar kan ik gewoon wat terugzeggen in hun eigen taal. Het is nog te vroeg om te kamperen, als ik een camping tegenkom. Het is eigenlijk het juiste moment voor een camping wanneer ik besef dat ik na een splitsing al twee kilometer zuidwaarts fiets in plaats van noordwaarts. De gewenste camping blijkt opgeheven. Een skihuttenpark een kilometer of twintig verder brengt echter alles wat de uitgeputte fietser wenst. Voor 500 NOK een luxe vier/vijfpersoonshut (tip!). Met sauna om het laatste luie fietszweet eruit te halen. Met breedbeeldtelevisie om de Engelse detectiveserie met noorse ondertiteling te volgen. Met een glas witte wijn en een boek op de veranda genieten van de ondergaande zon, zicht op het hooggebergte. Wat heb ik het toch slecht. Maar wie zijn toch die bekende gezichten twee vakantiehuizen verder? Precies, de Vlamingen!







Het is in Noorwegen gebruikelijk dat je voor vertrek je hut schoonmaakt. Tenminste, dat is wat het huttenmeisje me wijsmaakte. Snel even een stofzuiger door de gang, inmiddels een kleine zandbak, want daar had ik bij aankomst de fietstassen leeggegooid. Een lapje door de keuken, douche en sauna, et voilà. De Vlamingen Michel en Vera wensen me een "tot straks" in plaats van een goede reis, want de kans van een weerzien wordt steeds groter.
Het begin van de reis is nogal vochtig, en dat maakt dat de klimpartijen behoorlijk in de koude kleren gaan zitten. Ook hier is regen genoeg geweest, zoveel zelfs dat een gebouw bij een meer bijna in het water verdwijnt. De Rjukanfoss maakt als waterval indruk door het hoogteverschil, damp van opspattend water, laaghangende bewolking en regen. Als in trance staar ik naar het kletterende natuurgeweld. De regen niet voelend, de mensen om me heen niet waarnemend, de noorse zinnen van de vrouw naast me niet verstaand. Al snel weer bij zinnen, gemakshalve zeggend dat het erg mooi is, maak ik nog een foto en loop terug.
Het groot fietslicht staat nog aan van de onverlichte tunnel die voor dit uitzichtspunt doorkruist moest worden. Geen rare fratsen van de fiets deze keer, het tikken van de ketting was afgenomen, de ketting is op maat gesleten of de tandwielen hebben zich sputterend gevoegd naar de fietser.
Als een menselijke waterval stroom je na zo'n impressie door de regen naar beneden, slechts tegengehouden door een paar haarspeldbochten en de rolweerstand, bij minimaal contact met de grond via het asfalt. In één beweging, zonder te hoeven trappen passeer je zwaar water bij lichte regenval (Vemork, de historie van het Noors verzet in de Tweede Wereldoorlog) en sjees je het industriestadje Rjukan in.
De Vlaming Michel rijdt net weg bij de supermarkt, Vera is al iets verder vooruit. Een handgebaar, daarna duik ik zelf maar een supermarkt in. Tijdig inkopen doen voor het weekend -het is tenslotte zaterdag-, de energie weer aanvullen met skoleboller. Lunchen tot je zeker weet dat er de rest van de dag alleen nog maar meer water uit de hemel valt.
De tocht leidt verder naar Tinn/Austbygd, waar zich voorlopig de laatste campings in noordelijke richting bevind. Voorlopig de laatste, want een klim van duizend meter en een vijftig kilometer verder is de volgende al. Maar geen energiereep of Noorse skoleboller krijgt mij deze middag zo ver. In plaats daarvan zet ik mijn tent op in een fjord gevuld met wolken en brabbel ik wat Noors met de campingbaas, tot hij mijn kampeerkaart ziet en zonder pardon overschakelt op het Engels. In mijn ooghoeken zie ik bij een hutje naast de ingang twee bekende fietsen. Ik barst in lachen uit, de campingbaas begrijpt niet waarom. Michel en Vera hebben mijn pad weer weten te vinden, of ik het hunne. In de avond delen we koffie met verhalen.






De dag begint erg zonnig, maar ook wel meteen met een extreme klim. Erg blij ben ik dan ook met de ontdekking dat ze in Noorwegen bushaltes hebben. Niet om het fietsen bij de eerste echte klim op te geven, dat niet. Maar het is wel fijn als de meisjes bij de bushalte je achterna roepen. Bijvoorbeeld om duidelijk te maken dat de handschoenen van je bagagedrager afvallen. Je weet wel, die dingen met zes gaten, die dingen die je net daarvoor uittrok om een fatsoenlijke foto te kunnen maken. Of was je dat alweer vergeten?
Tot dan de warmste dag, tot dan de steilste klim, je gaat je op den duur afvragen wat de elementen nog meer voor je in petto hebben. En het is waar - als fietser ben je ook gevoelig voor de sterkste wind. Het waait hard, zo hard dat ik bij de beklimming van de weg raak, niet los kom uit het clickpedaal en een been openhaal aan het afgebrokkelde asfalt en gesteente in de greppel. De vliegen smullen van het verse rodebessensap, ik parkeer mijn aluminium ros dan maar bij de eerstvolgende uitwijkplek. Tijd voor een break...
Even lunchen, even een koekje voor het bloeden - dat droogt wel weer op bij deze temperaturen en wind. Een jong noors stel klimt al fietsend of fietst al klimmend de berg op. Koekje erbij? Nee dank je, beantwoorden ze de geopende bus koeken. We fietsen verder. "Wat een snelheid" roept de Noor, wijzend op mijn dubbele bepakking vergeleken bij de hunne. Zonder moeite laat ik ze achter me. Op de hoogvlakte waai ik bijna weer van de weg. Een foto maken zonder je fiets los te laten is er dan niet bij. Hoe je je fiets ook wend of parkeert, omwaaien doet 'ie. Geen foto's maken is echter ook geen optie: de weidse hoogvlakte smeekt erom op de gevoelige plaat vastgelegd te worden. Het is de hoogste tijd voor een panorama-experiment zonder naaktfotografie. Ik concludeer alleen dat het verdraaid lastig is om de leegte te vangen in beelden.
Inmiddels hebben ook Ragnhild en Rune het eind van de hoogvlakte bereikt. "Waait het altijd zo erg hier bij jullie?" vraag ik quasi-geïnteresseerd. Natuurlijk kan die wind en het antwoord op de vraag me gestolen worden - maar ook in Noorwegen begint een gesprek vaak met het weer. We drinken koffie in de Immingfjell Turistheim. Vergeet die naam, maar als je er geweest bent, blijft hij hardnekkig hangen. En hij staat zelfs op de kaart, misschien wel omdat het hotelletje het enige punt in de wijde omtrek is waar je op zondag veel Noren tegenkomt. Moe van de tegenwind laten we ons verwarmen door de koffie en het gezellige noorse geroezemoes in het restaurant. We scheppen herhaaldelijk op bij het Noors buffet met veel vis, vlees en salades. "Gelukkig volgt hierna alleen nog een afdaling" houden we onszelf voor terwijl we voor de tweede keer het bord volscheppen. "Gelukkig zijn er nog kamers vrij in het hotel" zeggen we als we bij de caramelpudding met slagroom zijn aanbeland.
We vinden het te vroeg om de tent op te zetten als we beneden bij de camping zijn. Daar zie ik overigens één van de twee Nederlanders die ook op de vorige camping hun tentje hadden opgeslagen. "Bratte Bakker" waarschuwt het verkeersbord. Dat zijn dus steile heuveltjes, gelukkig maar een procent of tien. Steil genoeg om lama's tegen te komen, maar nog net te steil om een tentje op te zetten. Pas veel later, nadat we een heleboel hutten hebben gepasseerd, vinden we een plek om de tent op te zetten. De wolken gaan in snel tempo en vormen een fraai schouwspel terwijl we ons op deze koude avond opwarmen met fruktsuppe (warme instant-vruchtensoep), dobbelspel, thermokleding en rum.





















De koude nacht doorgeslapen, rijden we laat op de ochtend verder en nemen we afscheid. Ragnhild en Rune gaan rechtsaf, richting Numedalsroute. Met name het noordelijk deel daarvan schijnt erg mooi te zijn. Ik rijd rechtdoor richting Geilo, met een mediterraan laag tempo op deze zonovergoten dag. Verkoeling komt vlak voor Geilo, waar de afdaling heerlijk sjezen is met zeventig komma twee kilometer per uur. Zo snel reed ik nog niet eerder. Bij Geilo centrum zet ik in de middag de tent op, en doe niet veel meer dan luilakken en koken.


Een dag zonder fietskilometers is een dag niet geleefd. Een druilerige dag, de eerste echte rustdag. Redenen te over om me nog een paar keer in de slaapzak om te draaien. De Nederlanders Lonneke en Peter nodigden me uit op de koffie, in het plaatselijke Café Mocca. De gelijknamige koffie smaakt er erg lekker. We drinken er een paar koffies en vormen een stoïcijns vakantieleesclubje. De Noren lopen in en uit in het gezellig drukke koffiehuis, wij lezen geconcentreerd verder in onze reisgidsen, tourist information-foldertjes en leesboeken. In de middag stap ik op om te funshoppen in het enige winkelcentrum dat Geilo rijk is. Een wandeling door het park, de regen is inmiddels opgehouden. 's Avonds maak ik een einde aan de tiende vrouw, onder het afdakje van een afgedankte vakantiehut op de camping. Verontruste lezers kan ik geruststellen: er kleeft geen bloed aan mijn handen, het betrof maar een thriller.


Op naar Rallarvegen, Noorwegen's populairste fietspad langs een stukje treinrails tussen Oslo en Bergen. Vandaag ben ik vastbesloten op de Rallarvegen te geraken, ook al blijkt de tocht tussen Geilo en Haugastol (begin van de rallarvegen) behoorlijk pittig te zijn. Ingehaald worden door een duits koppel, het gaat niet al te hard, maar uiteindelijk bereik ik zo rond een uur of drie het beginpunt. Eerst nog even koffie met koek in het hotel bij Haugastol, daarna onverhard verder. Een Nederlands stel komt me tegemoet. Tien uur hebben ze gedaan over het sneeuwrijke gedeelte, het gedeelte waarbij geadviseerd werd om een stukje de trein te nemen. "Maar wel een paar mooie kodakmomenten bij Finse", vertelt de Nederlander. Het stuk tot aan Finse vind ik al mooi, bij Finse stap ik geregeld af om foto's te maken van de ijsschotsen in het water en het landschap waar nog best wat sneeuw ligt. Ik wordt een paar keer te voet ingehaald door onderzoekers die bezig zijn met veldwerk, maak ondertussen wat foto's en haal hen weer in.
Bij het station van Finse (1222 m.o.h.) aangekomen zie ik dat de eerstvolgende trein in mijn richting pas over tweeëneenhalf uur komt. Stiekem weet ik natuurlijk al lang dat er op dit uur van de dag geen trein in de goede richting zou rijden. Ik had in Geilo bij het station tenslotte al op de vertrekstaat gekeken. De fietsschoentjes worden verruild voor bergschoenen, eindelijk komt het antwoord op de vraag die ik me aan het begin van de vakantie stelde: Bergschoenen lijken misschien lompe dingen, slokken erg veel ruimte op in de fietstas, zijn tot op dit moment onhandige ballast en ruimtevreters. Maar bij avonturen zoals deze -het woord expeditie is nog niet eens zo misplaatst- komen ze goed van pas. Een deense familie geeft de doorslag: "Met die bergschoenen van jou moet dat wel lukken, door de sneeuw. We zijn zelfs mensen op sandalen en sportschoenen tegengekomen!", en "In jouw richting is het toch alleen maar bergaf", "Wij hebben het vanaf die kant gefietst, dat was zwaarder". Ook zij zijn lang onderweg geweest, net als de Nederlanders die ik eerder op de rallarvegen ontmoette. Ik ben er van overtuigd dat het ploeteren door de sneeuw voldoende kick geeft om door te gaan, en heb sterk het vermoeden dat er achter die besneeuwde weg nog een paar fotomomenten op me wachten.
Het is een zware tocht, of eerder een expeditie waarbij mijn fiets de ongewenste ballast blijkt te zijn - en niet de bergschoenen zoals ik eerder dacht. Temidden van de sneeuw schiet me vreemd genoeg de geschiedenis van Barentsz, Bontekoe en Van Heemskerck te binnen. Niet dat ik vastzit in het ijs, niet dat ik zo noordelijk ben als op Nova Zembla - maar het voortploeteren is al met al best afzien. Meter voor meter schuif ik over de steile sneeuwpartijen, die soms akelig steil en hoog zijn. Geregeld zak ik diep weg in de sneeuw, en hoop dat ze hier het concept "lawine" nog niet hebben uitgevonden. Ik trek de conclusie dat je andermans sneeuwsporen nooit helemaal moet volgen: het gaat iets sneller als je de fiets iets naast de sporen van je voorgangers zet. Eerst hou je de fiets aan je rechterhand, dicht tegen de sneeuwhelling, totdat je beseft dat het belangrijker is dat jezelf deze tocht onbeschadigd doorkomt dan je fiets. Vervolgens laat je je fiets bijna naar beneden glijden. Waarom? Nou ja, misschien dat tekort aan training, die zwaar onderontwikkelde armspieren.
Af en toe is het echt gokken waar je heen moet. Hier en daar zie je een meter asfalt over een heuveltje, maar veel aanknopingspunten heb je niet. De LF-bordjes ontbreken, zeg maar. Het is over tienen in de avond, als ik eindelijk tussen de sneeuw een plekje vind dat redelijk vlak is, met een beetje mos, met niet al te veel keien, kortom: een gelegenheidscamping. Met uitzicht op een meer gevuld met sneeuw en ijs, nooit eerder vond ik een camping met zo'n serene rust en zo'n fenomenaal uitzicht. Compleet met zwembad, als je de temperatuur voor lief neemt. Stromend water, de sneeuwhelling smelt langzaam. Euforie: het is gelukt. De tent staat dus ik besta. Ik heb niets bereikt, het plaatsje Niets, dertienhonderd meter hoog. in het ultieme niets ben ik en daaraan heb ik genoeg. Een zonnestraal, over tienen in de avond, schijnt in een smalle strook door de wolken, op de tent. Toeval, natuurverschijnsel of een teken van boven?




























"Toch even het thuisfront bellen" denk ik, terwijl ik uit mijn tentje niet veel anders zie dan sneeuw en ijs. De fiets valt weer een keer om, de telelens stuitert naar beneden - gelukkig heb ik de tent opgezet tussen het mos en blijft de lens heel. Een panoramafoto en dan langzaamaan inpakken. Om elf uur komen dan de eerste levende wezens - Duitsers en Noren - langsgefietst.
Vandaag nog drie steile sneeuwhellinkjes en toch nog meer kilometers sneeuw dan ik had verwacht, maar niets houdt me nu nog tegen. Een van de hellinkjes is zo steil en smal dat de bepakking van de fiets moet, eerst de fiets erover, dan nog twee keer met elke keer een stukje van de bagage. Balanceren over de smalle sneeuwrichel op drie of vier meter hoogte - niet echt om hoogtevrees van te krijgen, maar als je uitglijdt lig je wel in een heel erg koud meertje.
Na deze laatste beproeving kan er eindelijk weer echt gefietst worden, er ligt steeds minder sneeuw en de afdaling zet zich geleidelijk in, met steeds fraaier en kleurrijker landschap. Hoewel je in Noorwegen doodgegooid wordt met watervallen, kan ik met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zeggen dat langs de Rallarvegen een paar van de mooiste exemplaren te vinden zijn.
Aangekomen ter hoogte van het station van Myrdal, besef ik dat ik ook vandaag weer te laat of juist veel te vroeg ben om een trein te nemen. Ik was eerst van plan om de trein te nemen door de tunnel richting Voss (een stukje waar niet gefietst mag worden), maar ter plekke besluit ik dan toch maar om de afdaling te wagen naar Flam. De hydraulische remmen zijn continu bijna dichtgeknepen, het pad is absoluut onverhard met scherpe haarspeldbochten, veel grote keien waar je overheen naar beneden stuitert. Hoewel de afdaling steil en erg hobbelig is, is deze ronduit mooi te noemen: je passeert een grote waterval, en naar het dal toe buldert al het water in een blauwe rivier naar beneden. In Flam zet ik de tent op, temidden van vele andere tentjes, vijfhonderd maal drukker dan de vorige slaapplaats. Flam is een leuk klein dorpje, in de punt van een diep fjord. Het is vooral bekend van de Flamsbana, de toeristische treinverbinding vanuit Flam naar Myrdal. Men heeft beslist dat je er als fietser niets te zoeken hebt: de enige echte verbindingen met de omgeving zijn twee lange tunnels waar je als fietser niet in mag (busvervoer is mogelijk), of je neemt de ferry naar Leikanger in het noorden, danwel Utne in het westen. De directe bus naar Voss wordt me afgeraden door de campinggozer: "Heb je de fjorden al gezien?" vraagt hij. "Nee, nog niet", antwoord ik. "dit jaar nog niet. Een jaar of vijf geleden voor het laatst!". Hij antwoordt: "als je de fjorden wilt zien, dan kun je beter niet de bus nemen. Je mist met de bus namelijk één van de mooiste fjorden van Noorwegen! Neem de ferry naar Gudvangen, daarna mag je de bus naar Voss of Bergen nemen, ten minste, als je dat dan nog wilt!".
























De toeristische veerverbinding van Flam naar Gudvangen vertrekt om negen uur en om elf uur 's ochtends. Gisteren werd door het weerorakel veel zon beloofd, dit avondmens besloot daarom de wekker op zeven uur te zetten. Ruim op tijd voor ontbijt-, ontwaak- en reinigingsrituelen, verslaglegging en niet te vergeten het inpakken van alle rommel. Rustig schrijf ik mijn verslag, niet beseffende dat het klokje op mijn fietscomputer tien minuten achterloopt op de plaatselijke tijd. En die plaatselijke tijd is niet anders dan de plaatselijke tijd in Nederland, dus als ik nog thuiskom zal dat ook tien minuten later zijn.
Het is al na acht uur, wanneer de versgezette oploskoffie zijn werk begint te doen. In plaats van een rustig vakantieritueel wordt het inpakken van de fietstassen ineens een race tegen de klok. Snel inpakken! Gadegeslagen worden door slaperige Engelse en Nederlandse gezichten, die zich afvragen waar zoveel actie nou goed voor is op de vroege morgen. Maar het kijken naar andere mensen hoort er nu eenmaal bij op een camping. Zo ook het kijken naar inpakkende fietsers, alhoewel dat nogal wat energie vergt. Zittend in hun comfortabele tuinstoelen vallen ze bijna weer in slaap, alleen al door het zien van het inpakprocédé van de Flitsende Fietser raken ze uitgeput.
Wat je normaal in veertig minuten doet moet nu ineens in twintig minuten. Het is vier minuten voor negen, de achtertassen puilen uit, de spullen zijn natuurlijk niet zo efficiënt ingepakt, de bergschoenen bungelen er net buiten. Maar het is droog, dus wie maakt zich op zo'n moment druk om de waterdichtheid van de fietstassen? Racen over de hoofdweg, langs het stationnetje en over de kade; wat een mens toch al niet doet om in de boot genomen te worden. De boot van negen uur wel te verstaan. De slagboom is al dicht, de achterklep van de veerpont is al half omhoog. "Mag ik nog mee?" vraag ik terwijl ik hijgend mijn beste herteogen opzet. Dat blijkt te mogen. De fiets past net onder de slagboom door, vervolgens tillen we 'm even met z'n tweetjes over de halfopgeheven laadklep. Pffff..... het leiden van een just-in-time leven is topsport, nu eerst even vijf minuten uitblazen op het achterdek. Vervolgens op naar het zonnedek, voor een fantastisch uitzicht en een nog fantastischer aantal foto's! Ik boek een bescheiden fietsvakantiefotorecord: in twee uur maak ik nu meer foto's dan ik zeven jaar geleden op mijn fietsvakantie door Duitsland in twee weken maakte.
Luieren en zonnen op de boot, die traag de fjord doorkruist. Niemand beklaagt zich bij de kapitein over de lage snelheid, misschien wel dankzij de imposante muren die aan weerszijden van de watermassa naar de blauwe hemel lijken te wijzen. Minstens iedere vijf minuten neem ik een foto, en in het rustige voortbewegen over het water vind je dan plotseling alweer een ijkpunt van geluk: in de rust, de zonnestralen, de mensen, de sfeer en de impressies.
Na de twee uur durende boottocht kom je aan in het toeristische plaatsje Gudvangen, waar de souvenirshops en folkloristische tafereeltjes (noormannen om maar iets te noemen) gepaard gaan met busladingen toeristen. Een mooi moment om midden op de dag even de schaduw en de zonnebrandcrème op te zoeken, een ijsje naar binnen te smelten en uit te rusten van het niets doen.
Er volgt een heerlijk lang dal richting Voss, maar je hoeft niet veel geologisch inzicht te hebben om te ontdekken dat aan het eind van het dal ook weer een berg beklommen moet worden. In dit geval betekent dat een extreme klim, met veel haarspelden en zelfs een helling van 20% op sommige plaatsen! Ik stap af, en door het lome weer gaat een gedeelte van de beklimming van deze berg te voet verder. Eén, twee, drie, vier... op zo'n moment praat je jezelf doorzettingsvermogen in, stap voor stap duw je de fiets over de bergtop. Had ik maar... een bergverzet!
Het is voor een fietser haast onacceptabel om een berg te voet te moeten beklimmen. Stel je voor, dat je imago van 'tough guy' afbrokkelt. En als je dan een haarspeldbocht lager een bus toeristen ziet aankomen, stap je natuurlijk weer even op de fiets, al is het maar om een paar duimen omhoog te krijgen in Economy Class. "Norway in a nutshell" lees je op de zijkant van de bus. Zelf weet je wel beter. In een notendop kun je het wel zien, maar alleen lopend en fietsend ervaar je het land ook echt.




















































































































































Mijn reisverslagen zijn nooit af. Als ik tijd heb, schrijf ik verder. Maar tijd is schaars. Lees het dus over een paar maanden nog eens!
laatst gewijzigd: 11-11-2007 16:30
This work is licensed under a
Creative Commons Attribution-Noncommercial-No Derivative Works 3.0 Netherlands License.
Vienna-Koblenz 2006
Czech Republic 2005
East Anglia 2004
Germany 2001
Danmark 1993
Netherlands 1987-1992